6.9 Waterstofbruggen
Water is een dipoolmolekuul, doordat bij de polaire binding de zwaartepunten van de delta+ - lading en de delta- - lading niet samenvallen. De dipoolmolekulen richten zich zodanig, dat de – kant van het ene molekuul tegenover de + kant van het andere molekuul komt te liggen. Zo kan de delta+ van het ene molekuul de delta- van het andere molekuul dicht naderen.
Waterstofbruggen geven de samenhang tussen molekulen weer. Het verbreken van deze bruggen kost veel energie. Daardoor ligt het kookpunt bij deze stoffen hoger.
Waterstofbruggen kunnen alleen gevormd worden wanneer H direct gekoppeld is aan N, O of F. En er minimaal 1 vrij elektronenpaar is op het N, O of F atoom. Deze bruggen worden aangegeven met het tekenen van een stippel-lijn.
Vraag:
Hoeveel Waterstofbruggen kunnen er maximaal gevormd worden rond 1 methanol(CH3OH)-molekulen.
Waterstofbruggen geven de samenhang tussen molekulen weer. Het verbreken van deze bruggen kost veel energie. Daardoor ligt het kookpunt bij deze stoffen hoger.
Waterstofbruggen kunnen alleen gevormd worden wanneer H direct gekoppeld is aan N, O of F. En er minimaal 1 vrij elektronenpaar is op het N, O of F atoom. Deze bruggen worden aangegeven met het tekenen van een stippel-lijn.
Vraag:
Hoeveel Waterstofbruggen kunnen er maximaal gevormd worden rond 1 methanol(CH3OH)-molekulen.
6.10 Eigenschappen van water
Water is van levensbelang voor veel organismen. Water heeft een grote smeltwarmte en verdampingswarmte en ook een grote soortelijke warmte. Bij water is de grootste dichtheid niet bij 0 ºC, maar bij 4ºC. Dit betekent, dat er onder in een sloot nog het langste vloeibaar water overblijft bij vorst. Water zet bij stollen uit, terwijl alle andere stoffen juist krimpen. Daardoor drijft ijs op water. Het uitzetten van water bij bevriezen kan verklaard worden door aan te nemen, dat het maximale aantal H-bruggen gevormd wordt in de vaste toestand. Er ontstaat dan een rooster met holtes.
Water als oplosmiddelWater blijkt voor veel stoffen een geschikt oplosmiddel te zijn, vooral voor stoffen met een polair karakter of stoffen met een ionrooster. Het blijkt, dat water door zijn sterk polaire karakter in staat is om ionen uit te ionrooster (los te weken). Voorbeelden zijn: Ethanol (alcohol),ammoniak en suiker. Benzine is een mengsel van apolaire stoffen, die met water geen H-bruggen kunnen vormen. Benzine lost slecht in water. Polair mengt met polair, apolair mengt met apolair.
Vraag:
Waarom is de dichtheid van water het groots bij 4ºC en niet bij 0ºC?
Vraag:
Waarom is de dichtheid van water het groots bij 4ºC en niet bij 0ºC?